Home

HBO/WO // leren in de techniek // MBO // Nieuwsbrief

Centres of Expertise moeten beschikbare capaciteit en middelen effectief en efficiënt inzetten

Claudia Reiner, voorzitter van de Commissie Centres of Expertise, presenteerde op 11 oktober het eindrapport van haar commissie. In dit artikel vertelt ze meer over de werkwijze van de commissie en de aanbevelingen uit het rapport: ‘Centres of Expertise: groeibriljant voor excellente samenwerking in het hbo – In allianties werken aan maatschappelijk impact voor de toekomst.’

Centres of Expertise zijn publiek-private (of publiek-publieke) samenwerkingsverbanden tussen hogescholen en werkveld, met een focus op een maatschappelijke uitdaging (zoals de energietransitie of de toekomst van voedselvoorziening of zorgverlening). Binnen de Centres wordt geïnvesteerd in onderwijsinnovatie, leven lang ontwikkelen, het leren dicht op de praktijk en onderzoek. “De eerste Centres startten in 2011”, vertelt Claudia Reiner, voorzitter van de Commissie Centres of Expertise. “Sinds 2011 is er veel veranderd. Vanuit de markt was er behoefte aan een betere aansluiting tussen onderzoek en praktijk. Die behoefte is de aanleiding geweest voor het onderzoek. De Centres zijn een belangrijke innovatie in het hbo. Maar ze moesten opnieuw worden gewogen.”

Aansluiting op maatschappelijke thema’s
Hoe is het onderzoek aangepakt? “Ik zat als werkgeversvertegenwoordiger vanuit Techniek Nederland deze commissie voor. Dat duidt op het unieke van deze commissie: die bestond uit vertegenwoordigers uit het werkveld, zowel van publieke als private partijen. In eerste instantie zochten we naar de meerwaarde van de Centres. Daarbij stond de vraag centraal: waar is de (beroeps)praktijk bij gebaat? We begonnen met een stakeholdersanalyse. Daarvoor sprak de commissie een keur aan stakeholders: lectoren, bedrijven, maatschappelijke instellingen en ngo’s. En we stonden stil bij de knelpunten en uitdagingen. Daarbij keken we naar de ervaringen van de Centres zelf en die van hun omgeving. De rode draad in die gesprekken was dat er behoefte bestond aan een betere samenwerking, meer zichtbaarheid en aansluiting van de Centres op maatschappelijke thema’s. Hoe kan het hbo meer impact hebben? Hoe sluit praktijkgericht onderzoek beter aan op maatschappelijk relevante thema’s? En waarmee is het bedrijfsleven geholpen als het gaat om innovatie?”

Aansluiting en samenhang
“In die stakeholdergesprekken stelden we ook vast dat de Centres in het verleden vaak vanuit hun eigen positie redeneerden: van binnen naar buiten en niet van buiten naar binnen. De omgeving van de Centres vond de samenwerking nuttig maar er was behoefte aan meer dialoog, aan wederkerigheid. Een tweede punt waar we op stuitten was dat we constateerden dat de Centres te weinig onderling afstemden: ze vonden onafhankelijk van elkaar hetzelfde wiel uit. Kortom: er was onvoldoende aansluiting bij de praktijk en gebrek aan onderlinge samenhang.”

Effectief en efficiënt
Een goed voorbeeld van dit gebrek zie ik in mijn eigen vakgebied klimaat en energie”, vertelt Claudia Reiner. “Een grote maatschappelijke opgave natuurlijk en veel Centres zijn ermee bezig. Maar ik zie onvoldoende afstemming. Er is geen heldere gedeelde toekomstagenda. Het is een belangrijk maatschappelijk thema dat veel facetten kent en de komende decennia niet aan belang zal inboeten. Voor oplossingen is zowel fundamenteel als toegepast onderzoek nodig. Hierbij zou je bij uitstek landelijke spreiding moeten hebben, een soort van werkverdeling bijna; wie doet wat op dit domein? Nu komt de agenda van de Centres vaak anticyclisch tot stand; Centres acteren pas als er een agenda is. In mijn optiek zijn Centres geen concurrenten van elkaar maar hebben ze een gedeelde taak. Dat maakt het extra urgent dat ze de beschikbare capaciteit en middelen effectief en efficiënt inzetten.”

Innovatiekracht
Het besef van die urgentie bespeurt Reiner ook bij het Rijk. “Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) geeft al een tijdje signalen af dat het zich zorgen maakt over de innovatiekracht en het verdienvermogen van Nederland. Ik denk dat het goed is om onderzoeksvragen te bundelen en daarbij het bedrijfsleven en hun vertegenwoordigers als VNO-NCW en MKB actiever te betrekken. EZK juicht dit eveneens toe, zonder dat ze overigens al te veel regie willen pakken, willen ze dit wel ondersteunen.”

Quadruple helix
Geen regie van EZK op de onderzoeks- en innovatieagenda dus. Maar een vorm van meer landelijke regie is volgens Claudia Reiner wel noodzakelijk. “Dat kan met een light governance model, waarbinnen een landelijke afstemming op thema’s en agenda’s plaatsvindt. Vorm duo’s (duoships) tussen de topsectoren en hbo-vertegenwoordigers om die samenwerking beter te organiseren. Die duoships hebben ook een mandaat van de sector nodig. Daar ligt volgens mij een belangrijke rol voor de Vereniging Hogescholen weggelegd. Bepaal samen wat nodig is en maak wederkerig gebruik van beschikbare middelen. Het hbo speelt een belangrijke rol in het innovatieveld, en opereert in een  quadruple helix-omgeving. Binnen die omgeving moeten we de grote maatschappelijk opgaven samen aanvliegen, met elkaar. Ik lever daar zelf ook graag een bijdrage aan door dit verder te ondersteunen, bijvoorbeeld door mijn rol binnen het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA waar ik onlangs tot ben toegetreden.”

Reactie Vereniging Hogescholen (VH)

We hebben de VH gevraagd om een eerste reactie te geven op het rapport van de Commissie Centres of Expertise te geven. Maurice Limmen, voorzitter, namens de VH: “Wij zijn blij met dit advies. De commissie ziet veel potentie voor de Centres, naast andere vormen van publiek-privaat samenwerken. We gaan de komende periode in de vereniging op verschillende plekken met dit advies aan de slag. Daarnaast praten we erover met bestuurders, directeuren van Centres, externe stakeholders en met Katapult. Hierbij willen kijken hoe Katapult benut kan worden als netwerk en als kennisprogramma in de doorontwikkeling van de Centres. Ze zijn al bezig met peer review tussen Centres onderling en de impactmeting van de Centres.”